[COLUMN Vrij Nederland] Maak ik me ongeloofwaardig door geen keuze te willen maken tussen schrijven en investeren?

Toen ik zestien was, begon ik samen met een vriend het bedrijfje The Gadget Company. Via internet kochten we allerlei gadgets (radiografische helikopters, leugendetectors, dat werk) bij fabrikanten in China. Vervolgens verkochten we het spul via onze webwinkel. Na schooltijd fietsten we met volle Dirk-tassen naar het postkantoor om pakketten te versturen naar klanten.

Het webwinkeltje draait nog steeds, en in al die jaren hebben we meer dan een miljoen euro omgezet. Veel ben ik er niet meer mee bezig, want mijn leven ziet er iets anders uit. Maar ik heb wel aandelen in het bedrijf. Dat gaat eigenlijk in tegen een basisregel uit de journalistieke ethiek: je mag niet investeren in bedrijven uit de industrie die je beschrijft. Dat zou (schijn van) belangenverstrengeling opleveren.

Michael Arrington heeft mijn probleem in het groot. Hij is voor internetbedrijven in Silicon Valley wat Johannes van Dam voor Amsterdamse restaurants is. Met zijn blog TechCrunch.com kan hij beginnende internetbedrijfjes (start-ups) maken of breken. Maar vorige maand werd Arrington ontslagen door de nieuwe eigenaar van het blog dat hij ooit zelf opstartte. Kern van het probleem: Arrington is een investeringsfonds in internetbedrijven begonnen, en heeft daardoor een financieel belang bij het schrijven van zijn stukken. Maar volgens Arrington hebben álle journalisten te maken met belangenverstrengeling, en worden blikken op de wereld meer bepaald door vriendschappen, relaties en persoonlijke opinies. Toch vermelden journalisten dat zelden. Hijzelf is echter altijd open over wat hij doet. Journalisten die klagen dat hij investeert in bedrijven waar hij over schrijft, zijn hypocriet. Transparantie is belangrijker dan objectiviteit, vindt Arrington.

Ik snap hem goed. Als je veel hoort en schrijft over jonge nerds die de meest waanzinnige technologiebedrijven oprichten, wil je ze niet alleen de hemel in schrijven, maar wil je soms ook graag meedoen.

Mag ik als internetjournalist investeren in internetbedrijfjes? Elke keer als ik over een veelbelovende start-up zou schrijven, zou ik natuurlijk vermelden dat ik een investeerder ben. Kan de lezer zelf niet uitmaken of hij mij vertrouwt? Is het probleem op- gelost als ik transparant ben over mijn investeringen? En is het genoeg als ik de titel ‘journalist’ verander in ‘blogger’? Of maak ik mezelf ongeloofwaardig door geen keuze te willen maken tussen schrijven en investeren? Ik hoor graag wat u denkt.

[COLUMN Vrij Nederland] Opeens kreeg ik allerlei gratis dingen opgestuurd

Een paar maanden geleden kreeg ik een ventilator-zonder-rotorbladen (ter waarde van 300 euro) ongevraagd opgestuurd door de firma Dyson. Ik speelde er even mee en daarna fietste ik met het - overigens redelijk briljante - apparaat naar het hoofdkantoor om het terug te geven. ‘Is-ie stuk?’ vroeg de marketingmevrouw angstvallig. ‘Nee, ik stuur alles terug wat ik krijg.’ Ze keek me aan of ik gek was.

Bedrijven zijn niet altijd zo aardig geweest. Maar sinds ik ‘die nerd’ van DWDD ben, word ik opeens heel vriendelijk behandeld. Aan de lopende band worden pogingen tot beïnvloeding gedaan. En ik ben niet de enige. Het is voor bedrijven de normaalste zaak van de wereld om ‘invloedrijke bloggers’ (zo heet dat) in de watten te leggen.

Soms heeft dat effect. Zo gaf Samsung een stel bloggers een Samsung-tablet (ter waarde van 750 euro) cadeau. En hoewel het apparaat unaniem werd afgekraakt door serieuze recensenten varieerden de reacties van de Nederlandse bloggers van ‘o, wat glimt-ie mooi’ tot ‘kijk, hij past in mijn binnenzak’. Het is moeilijk in deze actie geen opzichtige omkooppoging te herkennen. Dus had ik geweigerd.

Maar soms ligt het ingewikkelder. Zo bood Google me aan om naar Google I/O te komen, een groots evenement in San Francisco waar nieuwe producten worden gelanceerd. Ik heb die reis zelf betaald, dat vond ik journalistiek zuiver. Maar achteraf bleek het niet boeiend genoeg voor een artikel. Uit eigen zak betaalde ik duizenden euro’s, en ik kon er niets mee. Een chique krant als NRC weigert uit principe onkostenvergoedingen van bedrijven, maar ik vind het eigenlijk onredelijk dat ik alles uit eigen zak zou moeten betalen.

Wellicht kunnen nieuwe media een andere dimensie geven aan dit ethische probleem. Oude media hebben geen ruimte te beschrijven of er tijdens de persreis is gesmeten met gratis gadgets en lekker eten. En of verblijf en vlucht betaald werden door het beschreven bedrijf. Maar op internet is dat ruimtegebrek er niet. Bewijs ik u eigenlijk geen dienst door méér betaalde persreizen en testproducten te accepteren, en open te zijn over het beïnvloedingsproces?

Als ik transparant ben over wat ik aanneem, kunt u zien of ik belangen verstrengel (hopelijk niet). En omdat ik niet zo fundamentalistisch weiger als NRC, kan ik meer congressen bezoeken of interviews doen, en dus interessantere artikelen schrijven.

Wat vindt u? Ik zou het erg op prijs stellen als u meedenkt.

Deze column verscheen eerder in de Vrij Nederland Media Gids.

[COLUMN Vrij Nederland] Het moet altijd sneller

Ik ben een technologie-expert. Dat zit zo. Ik schreef voor de website 925.nl van Jort Kelder en ging op een avond met hem mee naar De Wereld Draait Door. Hij zou tafelheer zijn en ik mocht achter de schermen meekijken. Dat vond ik bijzonder leuk : in de studio van dat programma voelt het als het middelpunt van een storm. De belangrijkste spelers uit de actualiteit zijn aanwezig om de dag te bespreken voor een publiek van meer dan één miljoen mensen.

Op internet gingen op dat moment geruchten dat computerbedrijf Apple de volgende avond in San Francisco de iPad zou aankondigen. Na de uitzendingvroeg ik aan de eindredactrice of de redactie van plan was daar iets mee te doen (ik kon er namelijk al drie nachten niet van slapen). Lang verhaal kort: de avond erna zat ik aan tafel en kon ik als eerste in Nederland de iPad laten zien. Mijn moeder was trots.

Die eerste keer Aan Tafel beviel. Dus mocht ik een tweede keer komen, en een derde keer. Zo werd ik ‘onze huisnerd’, en voor ik het wist mocht ik tussen mannen als Gerard Spong, Peter Vandermeersch en Jack de Vriesmeediscussiëren over Julian Assange en zijn klokkenluidersclub. Een jaar later heb ik vijfenveertigduizend volgers op Twitter, en moet ik op mijn woorden letten. Ik ben namelijk een technologie-expert. Althans, dat staat onder mijn naam als ik word geïnterviewd. Maar een jaar geleden was ik nog student. En het verschil tussen een student en een expert is blijkbaar: af en toe aanschuiven bij Matthijs van Nieuwkerk.

In die rol van expert heb ik altijd haast. Ik lees drieduizend sites per dag, en voor ik klaar ben, toont het icoontje onder in mijn scherm alweer dat er nieuwe artikelen staan te wachten. Als ik naar bed ga staat de teller op nul, maar als ik opsta begint de strijd tegen de informatiestroom opnieuw. Ik praat in hapklare brokken, ben gaan denken in de honderdveertig tekens van Twitter, en de drie minuten spreektijd van De Wereld Draait Door is mijn referentiekader. Het moet altijd sneller, simpeler. 538 belt over de nieuwe iPhone, EenVandaag wil weten wat er met WikiLeaks aan de hand is. Een quoteje hier, een quoteje daar. En voor ik het weet is de dag voorbij.

Mijn moeder is nog steeds trots, maar ik denk dat het hard nodig is om de tijd even stil te zetten. Ik vind het erg leuk om internetjournalist te spelen (en uiteindelijk misschien zelfs wel een echte te worden), maar met een aantal mores in deze nieuwe beroepsgroep worstel ik. Daarover wil ik graag met u van gedachten wisselen de komende drie weken. Ik hoop dat u meedoet.

Deze column verscheen eerder in de Media Gids van Vrij Nederland