[COLUMN nrc.next] Hoe gaat Neerlands trots TomTom overleven?

Het was 1888 toen George Eastman de eerste Kodak-camera introduceerde. Eigenhandig zorgde hij ervoor dat fotografie niet meer alleen was voorbehouden aan de professionals met hun dure apparatuur, maar dat ook consumenten konden fotograferen met goedkope klik-klak-camera’s. Tot ver in de jaren tachtig was Kodak marktleider, en had het een aanzienlijk aandeel in Amerika’s trots. Binnenkort zijn ze failliet.

Toen ik het ondergangsverhaal over Kodak las, moest ik aan onze Nederlandse trots denken: TomTom. ’s Lands bekendste wegwijzer wordt steevast genoemd als politici schermen met Nederland als ‘Kennisland’. TomTom was jarenlang onze grote innovator en trekt een aanzienlijk deel van de economische kar: vorig jaar zette het bedrijf meer dan 1,5 miljard euro om.

De omzet van TomTom is voor een groot deel afhankelijk van de verkoop van navigatiekastjes. Veel Nederlanders klikken iedere ochtend nog hun TomTom aan de zuignap op de voorruit. Die kastjes kosten tussen de 100 euro en 330 euro, maar consumenten verliezen langzaam hun interesse in die dingen. Onze smartphones kunnen namelijk alles wat een TomTom kan. Het bedrijf begon daarom met het verkopen van navigatiesoftware voor telefoons (tegen 50 tot 70 euro per appje), maar de concurrentie is moordend. De nieuwste smartphones worden tegenwoordig standaard geleverd met gratis software als Google Navigation en Nokia Drive. Voor de iPhone is het fantastische Waze gratis te downloaden. Die laatste app heeft vrijwel alle functies van een TomTom en wordt inmiddels gebruikt door 12 miljoen mensen wereldwijd. Iedere maand komen er 1,5 miljoen bij.

De mannen van Waze verdienen hun brood door data te verkopen. Doordat gebruikers stilstaan in de file en ongelukken doorgeven, kan Waze precies vertellen wanneer er files staan en waar veel ongelukken gebeuren. De overheid en bedrijven hebben veel geld over voor die informatie. Dat is het businessmodel, zo verdienen ze bij Waze hun centen.

TomTom verdient nu nog de meerderheid van z’n geld met het verkopen van navigatiekastjes en apps. Maar het bedrijf wéét dat over een paar jaar niemand meer zo’n kastje van ze koopt – dat niemand meer bereid zal zijn om te betalen voor een appje dat je toont hoe je moet rijden. TomTom zegt zich, net als Waze, op de datahandel te storten, maar het is maar de vraag of het bedrijf daarmee net zoveel geld kan verdienen als het nu doet. Ik wil niet de boeman zijn, maar het antwoord op die vraag is waarschijnlijk ‘nee’.

TomTom is Neerlands trots, en ik hoop van harte dat dat zo blijft. Maar ik vrees dat, net als bij Kodak, de smartphonefabrikanten het werk uiteindelijk overnemen. Ik hoop dat TomTom op tijd het roer kan omgooien en dat Google, Nokia en Waze onze trots de weg naar winst kunnen wijzen.

[COLUMN nrc.next] Over de fascinerende vooruitgang van technologie

Het zijn fascinerende apparaten: 3D-printers. Aangesloten op je computer kun je ermee uitprinten wat je wilt: sieraden, telefoonhoesjes of – ik noem maar iets wat mij leuk lijkt om te printen – speelgoedrobots. Maar bij de meeste mensen gaan de ogen pas echt open als je ze dit vertelt: met een 3D-printer kun je 70 procent van de onderdelen van een 3D-printer uitprinten. Een 3D-printer kan dus bijna zichzelf opnieuw uitprinten.

Het is een populair concept in sciencefiction: machines die zó snel, zó slim worden dat ze op een gegeven moment zichzelf gaan reproduceren, op steeds hogere snelheid. Hoe kan dat niet eindigen met dictatoriale robotoverlords die de mensheid in z’n gewelddadige greep houdt?

Robot overlords daargelaten: exponentiële, dus zichzelf vermenigvuldigende vooruitgang is minder raar dan je misschien denkt. Een van de oprichters van chipfabrikant Intel bedacht ooit de Wet van Moore. Die wetmatigheid stelt dat computerkracht door technologische vooruitgang iedere twee jaar verdubbelt: voor de computerkracht van een smartphone had je tien jaar geleden computers nodig die een compleet gebouw vulden. Mensen die Moore’s Law volgen zeggen dat dezelfde computerkracht over tien jaar in een bloedcel past.

Afgelopen maandag werd in Nederland een eenmalig congres van de Singularity University georganiseerd. Deze door NASA en Google gesteunde organisatie bekijkt de wereld vanuit het perspectief van Moore’s Law: als álle technologie zich exponentieel blijft ontwikkelen, hoe ziet de mensheid er dan uit over 10, 50, 100 jaar?

Een auto is nu eigenlijk al een computer op wielen. Maar wat betekent het als die computer zo slim wordt dat hij zichzelf kan besturen? Heeft iedereen dan bijvoorbeeld nog wel een eigen auto nodig? Iets heel anders: het in kaart brengen van je DNA was een paar jaar geleden nog schier onmogelijk. Maar binnenkort kun je voor minder dan 1000 euro je DNA in kaart brengen en ’m op een chip mee naar huis nemen. Wat als je jezelf, met behulp van een internetdienst, kunt onderzoeken op erfelijke ziektes? En wat als je zelf je DNA kunt aanpassen?

Als je de wereld bekijkt vanuit de ogen van de Moore’s Law-fundamentalisten van Singularity University, is het onmogelijk om niet na te denken over de enorme gevolgen van exponentieel verbeterende technologie voor alle huidige, grote industrieën. Bijvoorbeeld de implicaties voor intellectueel eigendom. Voor farmacie. Voor het overheidsapparaat. Je moet zelfs nadenken over de ethiek van het wijzigen en creëren van leven. Noem het science fiction, ik ben blij dat mensen zich bezig houden met dit soort vergezichten. In tijden waarin we vooral navelstaren is het heerlijk om over de grote lijnen na te denken.

Deze column verscheen vandaag in nrc.next

[COLUMN nrc.next] BN’ers die zichzelf hoereren en daar oneerlijk over zijn, worden terecht verguisd

Met een arm vol nieuwe kleren sta ik aan de kassa van een grote modeketen. Nadat de cassiëre klaar is met scannen zegt ze: “de volgende keer moet je gewoon even bellen met het hoofdkantoor hoor, dan hoef je niet te betalen.” -“Pardon?” zeg ik, terwijl ik me afvraag of ik een of andere actie gemist heb. Maar dan noemt ze de namen van een paar BN’ers. “Die doen dat ook. Gewoon even bellen en dan krijg je waardebonnen”. Mijn eerste gedachte is: “Oké, ze herkent me van TV”, de tweede gedachte is: “dus zó doen die BN’ers dat”.

Samsung organiseerde een paar maanden geleden een “feestelijke avond vol glamour” om een nieuwe tabletcomputer te lanceren. De belofte aan BN’ers: als je komt en even gezellig op de foto gaat met het apparaat (€750), krijg je er één gratis. De landelijke pers ontvangt de volgende dag een mailtje met foto’s: Winston Gerschtanowitz, Lieke van Lexmond en Frank de Boer waren erbij!

Bedrijven geven hun producten gratis weg aan mensen die ze invloed toedichten. Vroeger waren dat vooral BN’ers en journalisten, maar tegenwoordig doen Twitteraars en bloggers ook mee op de marktplaats der aandacht. Internetberoemdheden krijgen geld, spullen, reisjes en uitnodigen voor feestjes in ruil voor een positieve YouTube-video, een paar tweets of blogposting over het product.

Ik ondervind het aan den lijve, steeds minder leidend tot grote verbazing. Als m’n internetverbinding het niet doet, staat er binnen twee uur een busje van de kabelmaatschappij voor de deur. In populaire restaurants krijg ik makkelijker een tafel. Als ik iets online bestel krijg ik het bestelde product vaak twee keer (met een post-it op het tweede product: “deze is voor Matthijs” of “omdat je zo leuk over computers praat”).

Terwijl de meeste journalisten zich moeten houden aan een ethische code (en dus niets mogen aannemen), zijn daar op Twitter en Facebook geen regels voor. Breed wantrouwen is het gevolg. Ik kan niet positief over een product of dienst Twitteren, zonder twintig mensen aan m’n broek te hebben die vragen of ik soms betaald word voor zo’n tweet. En niet onterecht. Vorige week ontdekte 925.nl dat een aantal BN’ers zich liet betalen om te Twitteren over de nieuwe film van Theo Maassen. Zij waren gemaild met een aanbod: als je meer dan 25.000 volgers hebt krijg je €100 voor een tweet, wie er meer dan 300.000 heeft vangt €500.

Eigenlijk is er maar één oplossing voor deze nieuwe vorm van belangenverstrengeling: transparantie. En wie dat niet doet wordt, zo ook in het geval van de hoererende BN’ers, terecht verguisd.

[COLUMN nrc.next] Hackers zijn de nieuwe helden die het opnemen tegen overheidscensuur

Midden op Alexanderplatz in Berlijn vindt ieder jaar in hartje winter een van de grootste hackerscongressen van Europa plaats. 3000 mannen in zwarte t-shirts. Een supersnelle internetverbinding. Vier dagen achter elkaar. Het is een soort Disneyland voor nerds. 

In een grote zaal presenteren onderzoekers hun beste, nieuwste hacks. Het gemak waarmee je GSM-telefoons blijkt te kunnen afluisteren, of hoe je printers blijkbaar kan gebruiken om in te breken op miljoenen computernetwerken. Keer op keer klapperen m’n oren. Een verdieping lager zitten mensen te werken aan hobby-projectjes, zoals radiografische helikopters of een oude typemachine waarnaar je kunt SMS-en. Nóg een verdieping lager, in de kelder, zitten ze in een donkere ruimte met z’n honderden bij elkaar. Code te kloppen. Hier en daar ligt iemand op z’n toetsenbord te slapen. Paradijs op aarde dus.

Als ik in de rij sta voor koffie, hoor ik opeens geroezemoes en kijkt iedereen achterom: achter mij staat Jacob Appelbaum, een beroemdheid in het wereldje. De jonge hacker is tenger, praat snel en is extreem indrukwekkend. Hij is uitgesproken anti-establishment (een sentiment dat erg leeft onder hackers) en is constant op zijn hoede voor geheime diensten. En daartoe heeft hij alle reden: hij is woordvoerder van TOR, een stichting die software maakt waarmee je anoniem kunt internetten. En de belangen die gemoeid zijn met TOR zijn enorm.

Anonimiseringssoftware als TOR is van levensbelang voor mensen die wonen in één van de 60 landen waar overheden surveilleren op het internet. Voor Nederlanders is internetsurveillance misschien abstract, maar in een groot deel van de wereld kan het aanklikken van een link of iets controversieels zeggen in een email leiden tot gevangenisstraf, martelen of de dood. Appelbaum vertelt tijdens het congres over een Tunesiër die op een forum iets zei over de anti-regeringsprotesten. Zijn lichaam werd in stukjes teruggestuurd naar zijn familie. Daarom is het bestaan van TOR noodzakelijk: door de software kunnen burgers zich vrij uiten en organiseren, zonder dat de overheid kan herleiden naar welk huis ze een arrestatieteam moeten sturen.

Politici in Syrië, Tunesië, Iran en China willen het internet controleren en zijn daarom niet blij met TOR. De TOR-hackers zijn in een continue strijd verwikkeld met overheidshackers, die het anonimiseringssysteem willen slopen. In een kat-en-muisspel proberen ze elkaar af te troeven. Op dit moment vindt een ware wapenwedloop plaats, en vrijheid van meningsuiting van honderdduizenden dissidenten staat op het spel. TOR haalt overwinning na overwinning in deze race, zo vertelt Appelbaum op het podium.

Nadat Appelbaum klaar is met zijn praatje, barst de zaal uit z’n voegen van het applaus. Iedereen staat op. Voor hen staat een jonge nerd die het met zijn kleine stichting opneemt tegen complete naties. Hij verdient een staande ovatie, en niet alleen op hackerscongressen.

Deze column verscheen vandaag in nrc.next

Meer weten over Appelbaum? Check dit profiel uit Rolling Stone uit 2010.

[COLUMN nrc.next] Eindelijk niet meer afhankelijk van grote geldschieters voor je ideeën

Stel, je hebt een goed idee voor een zombiefilm, rare gadget, nieuw tijdschrift of experimentele dansvoorstelling, maar je hebt geen centen. Nog niet lang geleden zou je nog afhankelijk geweest zijn van grote geldschieters, maar dat is niet meer zo. Dit jaar zagen we de opkomst van de crowdfundingsites. Op sites als Kickstarter en Voordekunst kunnen grote groepen mensen kleine donaties doen. En voor het eerst deden mensen dat massaal, waardoor er dit jaar veel nieuwe projecten van de grond zijn gekomen.

Comfortabele sandalen, een boek over het gebruik van design in de Obama-campagne, een band die van je iPod Nano een horloge maakt, experimentele dans met vuilnismannen en hun wagens, een gadget die je fietsverlichting vervangt door je velgen te laten oplichten. Het zijn maar een paar voorbeelden van projecten die gestart zijn door mensen zoals jij en ik, en die geproduceerd konden worden omdat er via Kickstarter tienduizenden of soms honderdduizenden euro’s zijn opgehaald. Een paar maanden ploeteren, en het idee ligt in de winkel.

Een van de populairste projecten op Kickstarter is de Printrbot, een simpele 3D-printer. Met zo’n printer kun je fysieke objecten (sierraden, telefoonhoesjes, etc.) zelf uitprinten. Een paar jaar geleden waren 3D-printers onbetaalbaar en was het ondenkbaar dat je thuis zo’n apparaat zou hebben. Maar de snelheid waarmee ze beter en goedkoper worden is ongekend. En dat komt omdat iedereen mee kan doen.

De ontwikkeling van veel 3D-printers is volledig open source. De blauwdrukken van de onderdelen staan online, en wie wil kan z’n eigen variatie verzinnen. Op talloze fora bedenken technici, hobbyisten en enthousiastelingen hoe ze printers sneller, betrouwbaarder en energiezuiniger moeten maken. Af en toe valt er een op, en scharen veel mensen zich achter het ontwerp, waardoor het vleugels krijgt. Printrbot haalde op Kickstarter $800.000,- op om de onderdelen te kunnen fabriceren. 

Een simpele 3D-printer koop je inmiddels voor zo’n €500,-, maar die prijs daalt - omdat zoveel mensen meewerken - in moordend tempo. Het is geen raar idee dat het apparaat binnen een paar jaar zo betaalbaar is, dat iedereen een 3D-printer in huis kan halen. Dat betekent dat het niet lang zal duren voordat we het normaal gaan vinden dat je een 3D-ontwerpje schetst op je computer, en even snel uitprint. Bijvoorbeeld een prototype van een nieuwe gadget die je aan de man wilt brengen via Kickstarter.

Creatief ondernemen wordt steeds makkelijker. Voor kinderen die nu geboren worden, is het straks volstrekt normaal dat je niet meer afhankelijk bent van grote geldschieters. Ideeën verzin je, en deel je via internet, zodat je ze samen kunt verwezenlijken. De consequenties kan ik niet overzien, maar ik krijg er veel energie van.

[COLUMN nrc.next] Nederland van Boven is prachtig programma, maar VPRO is hypocriet

Gisteren was de eerste aflevering van Nederland van Boven op TV, en ik ben weggeblazen, zo mooi vond ik het. In een van de eerste shots komt de camerahelikopter op grote snelheid over zee aangevlogen en stijgt hij bij land snel op, waardoor een prachtig, uitgestrekt Hollands landschap achter de dijk opdoemt. De camera zoomt nog wat verder uit, en opeens zie je vanuit de ruimte hoe onze treinen rijden en onze auto’s in de file stilstaan. Hoe we wakker worden, gaan werken, en weer gaan slapen. Omdat je uitzoomt zie je opeens hoe netjes Nederland is, en hoe georganiseerd de ogenschijnlijke chaos eigenlijk is.  

De programmamakers kunnen de meest spectaculaire patronen laten zien door luchtbeelden te koppelen aan enorme databases met statistische gegevens. Omdat een telecomprovider een database met telefoonverkeer ter beschikking stelde, kun je in een animatie vanuit de lucht zien hoe rond 06:00 uur de eerste Nederlanders beginnen te bellen: het zijn lichte puntjes op een verder nog donkere kaart. Luttele uren later is het veranderd in een krioelende massa van knipperende lichtjes, die in één oogopslag onze afhankelijkheid van mobieltjes toont.

Maar vanuit de lucht is opeens ook de omvang van de haven van Rotterdam zichtbaar. Aan de hand van een database met 11 miljoen locatiegegevens zie je een geanimeerde wirwar van lijnen over het water lopen. De programmamakers kregen ook de beschikking over een database met de GPS locaties van herten, waardoor je hun bewegingen door de Nederlandse bossen kunt volgen. Je ziet van boven hoe treinen bewegen, hoe waterleidingen lopen, en hoe de huizenprijzen door de jaren heen veranderden.

Nederland van Boven toont op spectaculaire wijze waarom overheden meer data zouden moeten delen met het publiek. Als kunstenaars, programmeurs, of in dit geval, programmamakers kunnen bouwen op dit soort databronnen, ontstaan verbanden die je met het blote oog niet ziet. Helaas blijven onze overheden echter vaak stilzitten op hun goudmijn aan data: de programmamakers moesten veel te veel moeite doen om informatie los te peuteren. En dat is zonde.

Wat ook zonde is, is de houding van de VPRO. Het programma had nooit tot stand kunnen komen als overheden en bedrijven uiteindelijk geen data gedeeld hadden met de programmamakers. Je zou dan ook verwachten dat de omroep een wederdienst zou doen door de prachtige helikopterbeelden op hun beurt te delen met het publiek. Maar zij zeggen: “die beelden zijn van ons, en als je ze wil hebben kun je contact opnemen met onze sales afdeling”. Volgens mij kan de VPRO het niet maken om zo hebberig te doen, en zijn ze het aan iedereen verplicht om het volledige archief met wonderschone helikopterbeelden (onder een vrije licentie) op internet te zetten. Zodat anderen daarop weer verder kunnen bouwen.

[COLUMN nrc.next] Wachten op het moment dat Bol.com uitgevers overbodig maakt

Zonder uitgevers kon je vroeger geen boeken op de markt brengen. Je had die mensen in hun grachtengordelpaleizen nodig om je boek te bewerken, en voor de de marketing en distributie ervan. Maar tijden veranderen. Boekenwinkel Amazon is in de Verenigde Staten bezig om populaire schrijvers aan zich te binden om boeken exclusief via de website te verkopen. De site regelt de redacteuren, distributie en de marketing, en neemt daarmee alle taken van de traditionele uitgever over. En dat gaat grote gevolgen hebben voor de ingedutte industrie.

Amazon sloot een - naar verluid - miljoenendeal met de populaire self help guru Timothy Ferris. Zijn volgende boeken worden exclusief via de site verkocht. Ook thrillerschrijver Barry Eisler tekende een contract bij de site, nadat hij een aanbod van een half miljoen dollar van een traditionele uitgever had geweigerd. Amazon brengt dit kwartaal meer dan honderd eigen boeken uit, en dat aantal zal volgend jaar flink groeien. De uitgevers staan buitenspel.

Hoe reageert de uitgeverswereld? Die blijven gewoon doorgaan zoals ze dat al honderd jaar doen. Het is wachten op het moment dat ‘s lands grootste online boekenwinkel, Bol.com, de eerste deal sluit met een Nederlandse auteur. Ik hoop dat Nederlandse uitgevers sidderen van het idee dat ze volstrekt overbodig aan het raken zijn — wellicht worden ze net op tijd wakker om er iets aan te doen.

Ook in een andere industrie, televisie, rommelt het. De Amerikaanse streamingdienst Netflix (een soort betaalde Uitzending Gemist) kondigde deze week aan dat het de rechten gekocht heeft voor nieuwe afleveringen van een van de grappigste comedy’s ooit gemaakt, Arrested Development. Die serie liep sinds 2003, maar werd na drie seizoenen van de buis gehaald door matige kijkcijfers. Toch had de comedy op internet direct een trouwe cult-following en krijgt het acht jaar later nog steeds veel aandacht en downloads.

De euforie was in vele fanblogs en fora dan ook groot toen Netflix bekendmaakte dat de serie vanaf 2013 te bekijken is via de streamingdienst, een manier van TV kijken die veel Amerikanen toch al gewend zijn. Maar ook voor de makers van Arrested Development is het een prettige ontwikkeling. Zij zijn niet meer afhankelijk van de zender om hun serie te maken. Door exclusief materiaal als Arrested Development aan te bieden, hoopt Netflix de TV zenders overbodig te maken.

Amazon is schrijvers aan het leren dat ze geen uitgevers meer nodig hebben. Netflix is TV-makers aan het leren dat ze geen TV-zenders meer nodig hebben. Cut out the middle man, zoals ze in de VS zeggen. Het zijn interessante tijden.

[COLUMN nrc.next] Ik mis Steve Jobs nu al

Veel mensen hebben tegenwoordig een kastje van hun kabelprovider onder hun TV staan, waarmee ze digitale televisie kijken. Je kunt er de programmagids mee raadplegen, toekomstige programma’s opnemen en gemiste programma’s terugkijken. De functionaliteit is fantastisch, maar de manier waarop je het apparaat moet bedienen is een verschrikking.

Zelf heb ik zo’n kastje van de firma UPC. Als je op de afstandsbediening op een knop als “on demand” of “interactive” drukt, openen de deuren naar het hellevuur zich. Op je TV verschijnt een onduidelijk, schreeuwerig blauw keuzemenu. Geen mens snapt hoe het werkt. Als je iets wil, zeg een programma terugkijken, kun je het beste alle knoppen één-voor-één langsgaan, want de structuur is volstrekt ondoorgrondelijk. Hoewel ik me realiseer dat ik me beter druk kan maken om andere dingen, word ik bij gebruik regelmatig boos op UPC. Dat ze je opzadelen met dit soort troep, voelt bijna als een belediging.

Deze week kwam de biografie van Steve Jobs uit. Een briljant boek over het ontstaan van Apple dat ieder jong mens zou moeten lezen. Jobs kon pisnijdig worden van lelijke en ongebruiksvriendelijke apparaten. Hij gaf al zijn energie bij het ontwerpen van revolutionaire technologie. De Mac gaf ons een gebruiksvriendelijke computerinterface. De iPod deed ons online muziek kopen. De iPhone liet ons massaal mobiel internetten. En kinderen die vandaag opgroeien vinden het volstrekt logisch dat ieder scherm reageert op aanraking, door de iPad. Al die apparaten waren jaren in ontwikkeling. Ieder hoekje was weloverwogen en elke pixel opgepoetst. Jobs stimuleerde een perfectionisme dat weinig andere bedrijven gegund is. En daardoor zitten wij nu met apparaten zoals het digitale kastje van UPC.

Jobs was geen uitvinder, maar iemand die zijn hele leven wijdde aan het hervormen van technologie, zodat gewone mensen het ook willen gebruiken. Helaas zijn er nog veel apparaten — van de thermostaat tot de wekker, van de printer tot de vaatwasser — die niet het talent en de liefde van Jobs, of iemand zoals hem, kregen.

Jobs was geen geboren marktleider. Het bedrijf dat de telefoon opnieuw uitvond wordt nu aan alle kanten ingehaald door Google met Android. En zo hoort dat in een vrije markt. Maar er is altijd iemand nodig om de mars der innovatie te starten. En met het verlies van Jobs verliezen we de vonk in het ontstekingsmechanisme van de motor.

Een van de laatste projecten waaraan Jobs werkte was een ‘geïntegreerde tv’, dat blijkt uit de biografie. Het apparaat krijgt volgens Jobs de ‘eenvoudigste gebruikersinterface die je je kan voorstellen’. Het is ongetwijfeld de vonk die nodig is om de gevestigde orde in de TV-industrie wakker te schudden, en nieuwe bedrijven de moed te geven zich te manifesteren.

Ik mis Jobs nu al.

[COLUMN nrc.next] Alle e-books zijn uitgeleend en waarom e-books kopen een crime is

Als het aan uitgevers van dvd’s, boeken en cd’s ligt, koop je die media gewoon in de winkel: zo een van steen, met een verkoper achter een toonbank. Echter, sinds Napster downloadt de wereld illegaal. Uitgevers proberen dat tegen te gaan met een techniek die ze Digital Rights Management (DRM) noemen. DRM zorgt ervoor dat je films, boeken en muziek niet kunt kopiëren en slechts beperkt kan luisteren, lezen of kijken. Maar DRM is evil.

Muziek-cd’s werden in de jaren 90 voorzien van DRM tegen kopiëren. Maar de beveiliging zorgde er ook voor dat je je eerlijk gekochte plaat niet meer in je autoradio of computer kon afspelen. Dat zorgde voor zo veel irritatie dat velen er maar een illegaal kopietje bijkochten – om de muziek echt te kunnen luisteren.

Toen consumenten massaal muziek via iTunes gingen kopen, eiste de platenindustrie dat er ook in die nummers DRM zat. Een eerlijk gekocht deuntje kon je alleen afspelen via Apple-apparatuur en niet met een mp3-speler van een ander merk. Dan downloadde je maar een illegaal exemplaar, omdat je die tenminste op al je apparaten kon afspelen.

Met boeken is het niet anders. Een e-book kopen is een crime. Je moet vage software installeren voordat je een vaag e-bookbestand kunt downloaden dat de helft van de tijd niet opent op je computer, tablet of e-bookreader. Dus surft de goedwillende consument maar weer naar The Pirate Bay.

De platenindustrie heeft begrepen dat DRM niet werkt. In de afgelopen jaren zijn ze gestopt met het beveiligen van hun muziek en legaal downloaden neemt op dit moment een enorme vlucht. De boekenindustrie blijkt echter hardleers. Die industrie is zó aartsconservatief dat het de meest bizarre situaties oplevert.

Bibliotheken willen bijvoorbeeld graag e-books uitlenen. Het verschil tussen het verhuren van fysieke boeken en e-books, is dat je maar een beperkt aantal fysieke boeken in je magazijn kunt hebben, ten opzichte van een oneindig aantal e-books. Toch eist de bejaarde uitgeverswereld dat er DRM op leen-e-books zit, waardoor bibliotheken slechts een beperkt aantal boeken per vestiging kunnen verhuren. Daardoor kan de situatie ontstaan dat alle e-books in een bibliotheek ‘al verhuurd’ zijn, en je moet wachten tot iemand dat e-book ‘weer inlevert’. Leg dat maar eens uit aan een kind dat opgroeit met tabletcomputers: „Sorry mijn zoon, alle e-books van Harry Potter zijn uitgeleend.”

En zo groeit er weer een generatie kinderen op voor wie het veel logischer en eenvoudiger is om media illegaal te downloaden, dan er keurig voor te betalen. En dat is voor een groot deel aan de industrie zelf te wijten.

Deze column verscheen eerder in nrc.next.

[COLUMN nrc.next] Over compleet ondoorzichtige invloed van algoritmes

Een Amerikaanse bioloog wilde eerder dit jaar het boek The Making of a Fly kopen. Hij was verbaasd dat het standaardwerk op Amazon maar liefst $1.730.045,91(plus $3,99 verzendkosten) kostte. Het boek mag dan een klassieker zijn, zelfs de auteur twijfelde of die prijs wel gerechtvaardigd was. De verwarring bij de bioloog werd nog groter toen hij de productpagina ververste: de prijs bleek te zijn gestegen. En een dag later kostte een exemplaar zelfs $3.536.675,57. 

Wat was er aan de hand? Twee concurrerende boekenverkopers bleken automatisch tegen elkaar op te bieden. Dat ging via een algoritme, een set instructies waardoor een computer - zonder tussenkomst van een mens - zelf kan handelen. Als er één de prijs verhoogde, deed de ander dat vanzelf ook. Een kettingreactie ontstond, waardoor de prijs van het boek per uur steeg. Uiteindelijk kwam een mens tussenbeide (nadat het bijna een volwaardige internet-meme was geworden), vlak daarvoor had The Making of a Fly: The Genetics of Animal Design een prijskaartje van $23.698.655,93 gekregen.

Het is een klein voorbeeld van de chaos die kan ontstaan wanneer computercode slim genoeg wordt om te opereren zonder menselijke tussenkomst. In dit geval ging het om een triviaal geval en een simpel algoritme. Maar vaak zijn de belangen groter en worden er complexe algoritmes gebruikt, zoals op de aandelenbeurs.

Zogenaamde “algotraders” verdienen geld door algoritmen te laten bepalen wélke aandelen wanneer moeten worden gekocht en verkocht. Dat gaat in razend tempo en in duizelingwekkende hoeveelheden tegelijkertijd. De belangen zijn groot: meer dan 60% van de aandelen die per dag verhandeld worden op de Amerikaanse beurs gaat via zulke algoritmes. En als daar chaos ontstaat, gaat het ook direct goed fout. Zoals op 6 mei 2010. Op die dag maakte de Dow Jones vanuit het niets een diepe val. In een kwestie van minuten was de index 10% van zijn waarde verloren. Beleggers bleven in totale verbijstering achter. Tot op de dag van vandaag is niet duidelijk wat er precies gebeurd is. De hoeveelheid data die verwerkt wordt in microseconden is te groot om fatsoenlijk te kunnen onderzoeken. Maar het lijkt erop dat een bepaalde handeling van een enkele algotrader een verwoestende kettingreactie van allerlei concurrerende algoritmen veroorzaakte.

Algoritmen bepalen steeds vaker welke sites we zien en welk nieuws we lezen. Welke films we kijken en welke muziek we luisteren. Ze bepalen van welke vrienden we updates over hun sociale leven binnenkrijgen, en dus ook de manier waarop we met geld omgaan. Niet alleen is de invloed van algoritmen compleet ondoorzichtig. In een wereld die steeds meer gevormd wordt door algoritmen, is het een vreemde zaak dat we de gevolgen van de computercode die we zelf hebben geschreven, in een stijgend aantal gevallen niet meer kunnen lezen.

Interessant? Check deze briljante TED-Talk van Kevin Slavin. En als je geinteresseerd bent in het financiële deel deze VPRO-documentaire over High Frequency Trading en dit artikel in Wired. Binnenkort meer over de groter wordende rol van algoritmes.

[COLUMN nrc.next] Waarom bedrijven stoppen met innoveren en starten met slopen

Kronos, de eindbaas van het universum volgens de Griekse mythologie, werd gewaarschuwd door het Orakel van Delphi dat een van zijn kinderen hem in de toekomst van de troon zou gaan stoten. Met andere woorden: Kronos had een probleem. Op een gegeven moment raakte zijn vrouw zwanger, en in een poging zijn macht te behouden, wachtte hij tot het kind was geboren, om het vervolgens op te eten. Toen zijn vrouw vervolgens weer zwanger werd, at hij opnieuw zijn eigen kind op. En opnieuw. En opnieuw. En daarmee is Kronos een groot voorbeeld voor moderne technologiebedrijven.

Schrijver Tim Wu stelt in zijn boek The Master Switch dat technologiebedrijven, als ze genoeg blijven innoveren, op een gegeven moment kunnen verworden tot succesvolle monopolist. Maar, zo zegt Wu, er komt altijd een moment waarop een kersverse monopolist zich meer bezig gaat houden met het verdedigen van zijn monopolie, dan met het maken van betere producten. Op dat kritische moment stopt het bedrijf met innoveren, en begint het met het kapotmaken van betere producten om macht te behouden. Deze truc, het verorberen van je potentiële concurrenten terwijl ze nog jong zijn, noemt Wu het „Kronos Effect”.

In allerlei industrieën is het Kronos Effect voelbaar. In de muziekindustrie, de uitgeverswereld, bij kranten en televisie maakt men zich grote zorgen om macht te verliezen (als ze het niet al kwijt zijn). Afdelingen vol advocaten en lobbyisten worden opgetuigd om de monopolist te beschermen tegen innovatie van buiten. Het is het Kronos Effect in bedrijf.

Een belangrijke manier om de verstommende behoudendheid van het Kronos Effect tegen te gaan, is door sneller te innoveren dan monopolisten kunnen slopen. Zogenaamde ‘startup incubators’ bieden technologieondernemers kennis, ervaring, een netwerk en bakken met geld om Facebook en Google van de troon te stoten. De bekendste incubator is Y Combinator, een fenomeen dat is uitgegroeid tot een soort X Factor voor programmeurs. Na een strenge selectieprocedure mogen enkele tientallen teams een aantal maanden bouwen aan een baanbrekende website of dienst. Aan het eind van de rit presenteren de deelnemers hun ideeën aan een zaal vol investeerders die klaar zitten met hun chequeboekjes.

Vorige week hield Y Combinator hun tweejaarlijkse demonstratiedag in Silicon Valley. 63 teams toonden diensten die de gevestigde orde moeten slopen. En overal in de Valley schieten incubators als Y Combinator uit de grond.

Je kunt concurrenten opeten zoveel je wilt, maar een constante nieuwe stroom aan ambitieuze jonge technologieondernemers in de Valley zal blijven programmeren. Bij demodagen als die van Y Combinator is de innovatie oorverdovend. En dat is het moment waarop monopolisten vallen.

Instant update: zie voor de grap ook een artikel over het sluiten van Fame, in dezelfde krant.

[COLUMN nrc.next] Waarom ik mezelf in slaap huilde na tweet Diederik Samsom

De rellen in Londen zijn de schuld van Blackberry Messenger, Facebook en Twitter. De Britse premier Cameron wil dat toegang door de overheid geblokkeerd kan worden als mensen via die kanalen voor „onrust zorgen”.

Stapje terug.

Begin dit jaar konden we in de westerse wereld geen genoeg krijgen van het verhaal dat sociale media ervoor hadden gezorgd dat er een golf van protesten kon ontstaan in de Arabische wereld. En toen dictators begonnen terug te slaan met het blokkeren van internet- en telefoonverkeer, verkondigden onze westerse leiders stellig dat de vrijheid van meningsuiting op het Tahrirplein net zo gerespecteerd zou moeten worden als op Londens Trafalgar Square (aldus dezelfde heer Cameron een paar maanden geleden).

Volgens auteur Evgeny Morozov zorgt zo’n opmerking nu voor likkebaardende journalisten bij de Chinese staatsmedia. „Leiders in Peking, Teheran en elders zitten met smart te wachten op een verkeerde beslissing hier, die hen in staat zou stellen om internationale goedkeuring te claimen voor de manier waarop ze met hun eigen protesten omgaan.”

En inderdaad, vrijdag stelde het Chinese propaganda-kanaal-vermomd-als-persbureau Xinhua dat „je je kunt afvragen waarom westerse leiders aan de ene kant niet-westerse landen beschuldigen van het monitoren van internetverkeer, terwijl ze aan de andere kant zélf stappen nemen om het internet te monitoren en te controleren”. De conclusie van het stuk: „fatsoenlijke controle van het web is legitiem en noodzakelijk ten behoeve van het grote publiek”.

Behalve dat het blokkeren van internet- of telefoonverkeer een onwenselijk signaal is aan de leiders van dictaturen, kun je je afvragen of het wel zo effectief is. Wie immers merkt dat hij niet meer kan pingen, schakelt over naar een andere dienst. En als die niet meer werkt, schakel je gewoon door. Het is een niet te winnen kat-en-muisspel waarbij de communicatievrijheid uiteindelijk de grootste verliezer is.

Ook in Nederland schieten politici in tijden van onrust in een stuip om de communicatievrijheid te beperken. PvdA-Kamerlid Diederik Samsom twitterde onlangs: „Waarom zet niemand BlackBerry Messenger uit in Londen? Dat lijkt me een effectieve manier de ‘organisatie’ van nieuwe rellen te ontregelen #dtv”. Ik heb mezelf die avond in slaap gehuild.

Als de eerste reactie van een gematigde politicus als Diederik Samsom er een is van flagrante censuur, maak ik me ernstig zorgen hoe de rest van ons parlement zou handelen als zo’n tijdelijke crisis ook eens Nederland bereikt.

Politici die daadwerkelijk sociale media willen blokkeren geven een gevaarlijk signaal aan Mubarak-wannabe’s, snappen niet genoeg van techniek om te begrijpen dat het uiteindelijk niet werkt, en geven ondertussen de vrijheid van communicatie een beslissende stomp in het gezicht.

Update: Samsom reageert via Twitter:

@AlexanderNL hadden we dit niet gehad? Wat effectiviteit betreft had je gelijk (was juist m’n vraag; antwoord: kleine kans op effectiviteit)

[COLUMN nrc.next] Over de technofoben bij de hoofdredactie van NRC Handelsblad

‘Wie de hele dag door tweets verzendt, is verslaafd, verward en bezig zijn leven te ruïneren.’ Dat opmerkelijke statement werd vorige week gemaakt in het hoofdredactioneel commentaar van de opa dezer krant, NRC Handelsblad. Ik neem, net als velen, het dagelijkse commentaar van die krant heel serieus. Maar als digital native en grootgebruiker van Twitter moest ik toch wel een beetje lachen bij het lezen van bovenstaand statement. En dat moest ik niet voor het eerst. De chique hoofdredactie schrijft erg vaak over nieuwe technologieën alsof die er langzaam voor zorgen dat het einde der tijden nabij is.

Informatie- en communicatietechnologie (ICT)’ zorgt voor snellere verspreiding van ‘halve feiten en leugens’! Nieuwe technologieën faciliteren geweld en viezigheid! Zo worden veldslagen tussen hooligans ‘per mobiele telefoon geregisseerd’! En bedient het internet ‘de hele wereld met harde kinderporno’! Daarnaast: al die sociale media maken je narcistisch! Twitter (‘een medium voor flapuits’) stimuleert een ‘babbelcultuur die het medium eigen is’! Hoewel er steeds een kern van waarheid inzit, lijken de schrijvers toch vooral erg angstig te zijn voor het nieuwe.

Maar spookverhalen over nieuwe technologieën zijn niet van gisteren, bewijst Nick Bilton, techblogger bij The New York Times. Hij schreef het boek I live in the future & here’s how it works waarin hij het huidige Luddistische gezeur over nieuwe technologieën afzet tegen de angsten van weleer. In 1876 schreef The New York Times dat de komst van de telefoon ervoor zou zorgen dat niemand meer naar een concert of de kerk zou gaan. Minder dan een jaar later schreef de krant dat de fonograaf ervoor zou zorgen dat straks niemand meer zou kunnen lezen, immers ‘waarom zou de volgende generatie willen leren lezen als een bekwame voordrachtskunstenaar een boek aan je kan voorlezen middels een fonograaf?’

De locomotief, stripboeken, de televisie, de radio, de fiets, het vliegtuig, de wasmachine en de magnetron, allen zorgden ze in het begin voor angstige verhalen van hoofdredacties van kranten. En hoewel veel doemscenario’s geloofwaardig aanvoelen, zijn de gevolgen meestal beperkt, aldus Bilton. Nieuwe technologieën assimileren uiteindelijk altijd in de bestaande cultuur, en de techno-apocolyps blijft steevast uit, tekent Slate.com op uit zijn mond.

Het weerhoudt de hoofdredactie van NRC Handelsblad er niet van om vanuit een positie van angst over nieuwe media te blijven schrijven. Sterker nog, de krant vindt dat ze maar weinig gevolg krijgt in haar noodklokgelui over technologie. In een zweem van zelfmeelij schreef zij vorige week: ‘Het lijkt of niemand de brenger van het slechte nieuws wil zijn, bevreesd afgerekend te worden als old school-spelbreker die anderen hun gein niet gunt’.

1876 heeft gebeld: ze willen hun angstverhalen terug.

[COLUMN nrc.next] De wereld rondvliegen voor frequent flyer miles

Deze maand werd er een vliegtuig naar Thomas Stuker vernoemd. De 57-jarige autoverkoper uit Chicago overschreed de magische grens van 10 miljoenfrequent flyer miles en behoort daarmee tot de top van de wereld. Stuker is het grote voorbeeld voor leden van het populaire forum FlyerTalk.com. Dat is een site voor mensen met een gezamenlijke hobby: zoveel mogelijk frequent flyer miles verzamelen. Hoe meer miles je namelijk hebt, hoe hoger je ‘status’ bij een vliegtuigmaatschappij is. En een hoge status zorgt voor voordelen als upgrades naar de eerste klas, kortere wachttijden en gratis vluchten.

Maar de kunst van het frequent flyer miles verzamelen is ingewikkeld. Je krijgt punten voor gereisde kilometers, maar sommige vliegroutes leveren meer miles op dan andere. Tegenwoordig wordt die informatie online gedeeld: enorme excel-bestanden met berekeningen worden geproduceerd om zo snel mogelijk zo veel mogelijk miles te incasseren. Door kenniscreatie op dit soort sites worden mensen gedreven tot allerlei vormen van productiviteit. Bijvoorbeeld: een belangrijk onderdeel van de kunst van het frequent flyer miles-verzamelen is het doen van zogenaamde mileage runs. Dat zijn vluchten die je puur en alleen maakt om punten te verzamelen. Tijdens zo’n run vlieg je de wereld rond zonder het vliegveld te verlaten. Je besteedt je tijd in het vliegtuig, of wachtend op een ander vliegtuig bij de gate.

Op FlyerTalk.com is een subforum gewijd aan goede mileage runs. Onlangs sprak ik iemand die had ontdekt dat KLM op het traject Amsterdam – Basel relatief veel miles uitkeerde voor de lage ticketprijs. Een heel weekend vloog hij heen en weer tussen Nederland en Zwitserland; slapen deed hij in het vliegtuig en bij de gate. Met een voldaan gevoel postte hij aan het eind van zijn run op het forum dat hij een ‘platinum status’ verdiend had.

Tech-optimist Clay Shirky stelt in zijn boek Cognitive Surplus dat de manier waarop mensen omgaan met hun vrije tijd met de komst van internet enorm is veranderd. Als voorbeeld noemt hij Wikipedia. Het aantal manuren dat nodig was om de online encyclopedie te bouwen staat gelijk aan 1 procent van de uren die Amerikanen jaarlijks gezamenlijk spenderen aan het hangen voor hun tv’s. Of je nu Wikipedia-lemma’s schrijft, kattenfoto’s uploadt naar Lolcats.com of frequent flyer miles-berekeningen op FlyerTalk.com zet: uiteindelijk zorgen alle vormen van kenniscreatie voor transparantie, innovatie en uiteindelijk meer productiviteit, aldus Shirky. Zo’n vrijetijdsinvulling is goed voor de maatschappij. En als je hard genoeg je best doet, wordt er misschien zelfs een vliegtuig naar je vernoemd.

Deze column verscheen eerder in nrc.next

[COLUMN NRC.NEXT] Hoe het voelt als je wachtwoord gejat wordt

Een paar weken geleden schreef ik op deze plek over een nieuwe hype: bitcoins. Dat is een nieuwe internetvaluta waarmee je, zonder tussenkomst van banken en overheden, eenvoudig geld kunt sturen en ontvangen via internet. Om bitcoins te kopen moet je eerst je euro’s ruilen bij een zogenaamde ‘bitcoin exchange’. Voor m’n column registreerde ik me, samen met zo’n zestigduizend anderen, bij de grootste: MtGox.com.

Dit weekend ontstond er grote commotie omdat er opeens massaal bitcoins gedumpt werden en de geldmarkt volledig in elkaar stortte. Wat bleek: een hacker had toegang gekregen tot de database van MtGox.com en de inloggegevens van alle gebruikers waren openbaar geworden.

Een paar uur na de hack zweefde er een bestand rond op fora en Twitter met de e-mailadressen, gebruikersnamen en (versleutelde doch kraakbare) wachtwoorden van alle gebruikers erin. De hele databank van de valutabeurs lag op straat. Ik opende het bestand, zocht naar m’n naam en vond m’n gegevens. Het is een rare gewaarwording om zulke persoonlijke informatie van jezelf tussen de gegevens van allerlei onbekenden te zien staan in een ellenlang Excel-bestand. Ik schrok ervan.

Als je e-mailadres in zo’n gelekte database staat is dat onhandig (lawines spam). Maar wat erger is: dat de meerderheid van de mensen nog steeds overal op internet hetzelfde wachtwoord gebruikt. Je wachtwoord hoeft dan maar één keer uit te lekken en iedereen heeft toegang tot al je accounts.

Hackersgroep LulzSec zet de laatste maanden veelvuldig gestolen databases integraal online. Zo kon ik een paar dagen geleden scrollen door een enorme lijst gebruikersnamen, e-mailadressen en wachtwoorden van leden van een amateurschrijversforum. Doordat velen maar één wachtwoord op internet gebruiken, kon ik met het grootste gemak inloggen op de persoonlijke e-mailadressen, twitteraccounts en zelfs PayPal-bankrekeningen.

Het is volstrekt onveilig om anno nu hetzelfde wachtwoord op meerdere sites te gebruiken. Maar gelukkig hoef je niet honderden verschillende wachtwoorden te onthouden voor alle websites die je gebruikt: daar zijn tegenwoordig eenvoudige programma’s voor. Simpele software, zoals 1password, maken voor iedere nieuwe website waarbij je je aanmeldt, een ander – willekeurig – wachtwoord aan. Het enige wachtwoord dat je hoeft te onthouden is je geheime ‘master’-wachtwoord, waarna de software regelt dat de juiste wachtwoorden bij de juiste sites worden ingevoerd.

Geloof me, het is doodeng om je eigen wachtwoord te zien in een openbaar bestand, en te weten dat onverlaten daardoor in je Facebook, bij je e-mail en in al je vergeten datingsite-profielen kunnen. Als je nog maar één wachtwoord gebruikt op internet is nú het moment om daar wat aan te doen.