Het is nog maar zeven jaar geleden dat Facebook een overnamebod van 1 miljard dollar weigerde. Inmiddels wordt de waarde van het bedrijf geschat op 100 miljard dollar. Tien jaar geleden zette Google 500 miljoen dollar om. Nu is dat $38 miljard. De belangrijkste redenen voor die snelle groei: een bloeiende globale online advertentiemarkt. Volgens eMarketer is die markt in 2015 $132 miljard waard — nu is dat nog $80 miljard.
Er is maar één reden waarom deze bedrijven zo snel zoveel rijker worden: ze weten stuk voor stuk meer van me dan mijn eigen moeder. In de afgelopen jaren zijn er dan ook onnoemelijk veel privacyschandalen geweest, en steeds vaker bereiken die de voorpagina’s van kranten. Politici, voornamelijk op Europees niveau, beginnen de markt steeds verder te reguleren: opkomen voor privacy levert stemmen op. Ik herken dat sentiment als ik lezingen geef. De schrik is zichtbaar in de ogen van gewone internetters, als ik ze vertel hoeveel bedrijven over hen weten. Veel marketeers mogen graag vrijblijvend roepen dat ‘privacy dood is’, maar wie doorvraagt bij consumenten, weet dat ze daar zelf vaak anders over denken.
Vorige maand schreef Charles Duhigg een fascinerend artikel in NYT Magazine. Hij vertelt daarin over een man die warenhuis Target binnenstormt om woedend de winkelmanager aan te spreken. Waarom de winkel zijn dochter - die nog op de middelbare school zit - kortingsbonnen stuurt voor babykleertjes. Wat blijkt: de winkel kan aan de hand van het aankoopgedrag van de dochter (ze kocht geurloze lotions en bepaalde type vitaminen), precies herkennen in welke fase van de zwangerschap ze was. En dochterlief had haar vader nog niet ingelicht.
Hoe meer mensen Twitter Facebook en Google gaan gebruiken, hoe meer data er geproduceerd wordt. Deze bedrijven zijn zoveel geld waard omdat analisten weten dat, in het kielzog van de technische vooruitgang, het opslaan van die data gratis is geworden. En dat de analysetools de komende jaren beter en beter gaan worden. Een klein groepje bedrijven gaat, nog eerder dan Target, kunnen constateren wanneer iemand zwanger is. Misschien zelfs voordat de persoon het zelf weet.
Om een PR-fiasco te voorkomen vult Target de kortingsbonnenboekjes voor zwangere vrouwen tegenwoordig aan met willekeurige opvulproducten als grasmaaiers en schroevendraaiers. Bedrijven met grote klantendatabases zullen er de komende jaren alles aan gaan doen om minder creepy over te komen. Maar verregaande regulering kunnen ze daarmee hopelijk niet voorkomen. Want God verhoedde dat consumenten worden overgelaten aan de wil van marketeers die stellen dat privacy dood is.
Dit was de laatste column van mij in Emerce.
Telecomproviders staan er de laatste jaren belabberd op. Eerst T-Mobile met de iPhone. Het netwerk werd volstrekt onbruikbaar, en er was een Youp van ‘t Hek voor nodig voordat klachten van consumenten serieus genomen werden door het bedrijf. KPN startte onbedoeld een privacy-debacle omdat bleek dat ze haar gebruikers afluisterde, wat uitmondde in verregaande regulering door de wetgever. En Vodafone vatte mooi samen dat de reputatie van de sector zich op een “historisch dieptepunt” bevindt. De CEO wijdt dat onder anderen aan de netwerkkwaliteit en de klantenservice van Vodafone.
Mensen beginnen het zat te worden. Internet onderweg is voor veel mensen inmiddels net zo belangrijk als internet thuis, of internet op het werk. Maar voor die mobiele internetverbinding zijn we overgeleverd aan een conglomeraat van bedrijven dat structureel onder de maat presteert. Mobiel internet is op veel plekken in Nederland afwezig of is onbruikbaar traag. En ondertussen blijven de prijzen stijgen.
Het is niet voor niets dat het gezoem in het geruchtencircuit op dit moment oorverdovend is. Grote Nederlandse investeerders uit de technologie-, telecom- en mediawereld zijn bezig met het neerzetten van alternatieven voor KPN, Vodafone en T-Mobile, zo hoor ik van verschillende, goed ingevoerde bronnen.
In Frankrijk vindt de revolutie nu al plaats. Vorige maand begon ADSL-provider Free.fr met het aanbieden van telecomdiensten. Voor 30 euro per maand (of 20 als je al ADSL-abonnee bent) kun je onbeperkt bellen naar Frankrijk en 40 andere landen, plus onbeperkt SMS-en, plus 3GB internet of onbeperkt via landelijk wifi-netwerk. Dat is serieus goedkoop.
Een deel van het geheim zit ‘m in de routers van Free.fr’s ADSL-abonnees. Elke ADSL-gebruiker deelt zijn wifi-singaal automatisch met andere klanten, waardoor een enorm wifi-netwerk ontstaat dat in grote steden dekkend is. Daarnaast zitten er femtocells in de routers: dat zijn een soort mini-zendmasten die het GSM/3G-signaal versterken. Eigenlijk gebruikt Free.fr zijn miljoenen ADSL-klanten om het mobiele netwerk beter te maken. Redelijk briljant.
De oude garde reageerde laconiek op de nieuwkomer, maar dat is de arrogantie van de macht. Ondertussen trekt Free.fr hordes nieuwe klanten door het agressieve prijsbeleid. En de bestaande telco’s kunnen het prijspeil van Free.fr niet kunnen bijhouden, als ze hun netwerk niet drastisch anders inrichten.
In Frankrijk trekt een schokgolf van verandering door de telecomsector. Ik kan niet wachten op het moment dat die zich ook in Nederland aandient.
Deze column verscheen deze maand in Emerce.
Iets meer dan een jaar geleden lanceerde Microsoft Kinect, een accessoire voor de Xbox 360, waarmee gamers spellen kunnen bedienen door hun lichaam te bewegen. Maar niet alleen gamers waren blij met de komst van Kinect. Ook wetenschappers en hobbyisten sloegen stijl achterover van de mogelijkheden van de €100,- kostende bewegingsdetector. Tot dan toe moesten ze honderdduizenden euro’s uitgeven om een apparaat van vergelijkbaar kaliber in elkaar te prutsen. Nu konden ze gewoon naar de speelgoedwinkel.
Een paar dagen nadat het apparaat in de winkel lag, had een slimme hacker het apparaat gekraakt. Hierna kon je de sensor niet alleen op een Xbox aansluiten, maar ook op een PC. Of, zoals een paar studenten van UC Berkley deden, op een kleine helikopter, die daardoor zelf zijn weg door de kamer kon vinden. De studenten bleken niet de enigen. YouTube staat vol filmpjes van Kinect-hacks. In één video zie je een auto zichzelf door een obstakelparcours rijden, in een andere wordt getoond hoe een gehackte Kinect-sensor op een helm blinden kan helpen navigeren.
Je zou verwachten dat Microsoft blij was met al die hobbyisten. Maar dat waren ze niet. Een woorvoerder stelde dat het bedrijf “het niet toestaat dat mensen haar producten aanpassen”. Om vervolgens te dreigen: “we werken actief met politie en justitie om Kinect sabbotage-vrij te houden”. Na een hoos aan positieve media-aandacht voor allerlei sympathieke hacks kwam Microsoft echter terug op haar afwijzende houding. Al snel ging men ontwikkelaars helpen en vorige maand kondigde het bedrijf zelfs aan dat ze de tien beste Kinect-hackers een bak geld kunnen winnen met hun uitvindingen. Reclamebureau Twofifteen McCann maakte voor Microsoft een trots spotje waarin men vertelt “verrast te zijn wat de wereld gemaakt heeft met Kinect”, waarna het allerlei voorbeelden van Kinect-hacks laat zien.
Geslotenheid. Je kunt het Apple ook verwijten. Steve Jobs zegt in zijn autobiografie dat hij niet wilde dat mensen “klooien” met zijn producten. Daarom kun je iPhones of iPads niet zelf open-schroeven. Daarom moeten ontwikkelaars alle apps laten goedkeuren door Apple. En daarom kunnen medewerkers van het bedrijf straks de ramen van hun gloednieuwe hoofdkantoor niet openen. Als mensen iets kunnen openmaken, is er kans dat ze het verklooien, aldus Jobs.
Innovatie in technologie bestaat voor een groot deel uit het bouwen op andermans uitvindingen. Microsoft is met betrekking tot Kinect gelukkig tot inkeer gekomen. Hopelijk heeft post-Jobs Apple ook de ballen om van mening te veranderen.
Sinds 15 november ligt de Kindle Fire van Amazon in Amerikaanse winkels. Met de Fire gaat ‘s werelds grootste boekhandel de concurrentie aan met de iPad van Apple. Die laatste kost $500,-. De Kindle Fire gaat voor $200. Toen ze dat bij Apple voor het eerst zagen moesten ze vast even slikken.
Op internet wordt enthousiast gediscussieerd over de toegankelijke prijs, maar ook over de revolutionaire browser van de Fire. Elke pagina die je erin oproept gaat eerst langs de servers van Amazon. Daar worden alle plaatjes gecomprimeerd, waardoor de pagina veel sneller laadt. Omdat Amazon je surfgedrag nauwlettend bijhoudt kan het voorspellen op welke link je gáát klikken. Die pagina wordt dan alvast ingeladen, dus kun je nóg sneller internetten. Erg handig, maar dit betekent dat Amazon meekijkt met iedere pagina die je ziet, iedere link die je volgt, iedere klik die je doet. Overal zitten ze tussen en alles leggen ze vast.
De laatste jaren zijn bedrijven als Facebook, Google en Microsoft regelmatig in privacyrelletjes terecht gekomen. Maar Amazon is blijkbaar bereid om een privacy-shitstorm te verduren, want het bedrijf gaat verder dan alleen wat data-minen. Ze willen álles wat je online doet in kaart brengen.
Amazon is niet het enige bedrijf dat centen verdient met gebruikersdata. Vorige maand werd bekend dat Visa en MasterCard werken aan een systeem waarin alle aankopen van klanten worden opgeslagen; in on- én offline winkels. Die data kan gebruikt worden om online gerichtere advertenties voor te schotelen. MasterCard stelt dat “je bent wat je koopt”, en dat een adverteerder een aardig beeld van je kan krijgen door je betaalgedrag. Credit Card-bezitters krijgen vervolgens allerlei persoonlijke aanbiedingen van winkels.
Amazon laat gebruikers kiezen: als je je privacy opgeeft kun je sneller surfen. Visa en MasterCard zeggen: als je je privacy opgeeft krijg je korting. Ik ben benieuwd wanneer conventionele sectoren als de telecomindustrie (KPN, Vodafone) de energiebedrijven (Nuon, Eneco) en kabelbedrijven (UPC, Ziggo) klanten de mogelijkheid gaan bieden om privacy in te leveren in ruil voor een koekje. En wat daarvan de consequenties zijn.
Je privacy is geld waard en consumenten hebben dat meer en meer door. Er is ruilwaarde, en die afweging wordt steeds bewuster. Ik ben benieuwd waar de privacy-ondergrens ligt. Het zou me me niets verbazen als die nog lang niet in zicht is.
Toen ik in de Verenigde Staten studeerde had ik een bankrekening bij Wells Fargo, een van Amerika’s grootste banken. Na een dag winkelen stond ik per ongeluk rood, maar omdat ik dat niet doorhad kocht ik nog wat kleine dingen. Dat is een doodzonde in Amerika. Banken verdien daar namelijk bákken met geld aan dat soort fouten van hun klanten. Voor elke betaling die je doet terwijl je rood staat wordt er een zogenaamde “overdraft fee” gerekend. $25 per keer. Een bagel van $1 kost dan dus opeens $26. Je zult begrijpen: Amerikanen háten hun banken.
In Nederland hebben we het beter, maar ook hier zijn er genoeg ergernissen. Mijn belangrijkste: als je gaat internetbankieren waan je je in 1996. Serieus. Je ogen gaan bijna bloeden van zoveel lelijkheid — alsof er nog nooit één designer naar gekeken heeft. En gebruikersvriendelijk is het ook niet. Probeer maar eens een betaling terug te vinden in die eindeloze tabellen. Of even snel een paar euro over te maken om een vriend terug te betalen. Of een spaardoel te stellen om te zien of je genoeg geld hebt voor een nieuwe auto.
Reguliere banken zijn altijd maar bezig met nieuwe spaarvormen, regels en adviseurs, maar niemand lijkt zich druk te maken over hoe klanten écht met hun geld bezig zijn.
BankSimple is een startup uit New York die alles doet wat Nederlandse banken 5 jaar geleden al hadden moeten doen. “We zijn geïnspireerd door nieuwere webservices en apps die niets te doen hebben met bankieren: strakke, simpele, heldere interfaces die focussen op de dingen waarvoor je komt”, aldus de startup.
In een prachtig ontworpen online interface zie je in één overzicht hoe je ervoor staat. Je saldi, maar ook kleurrijke balken met je spaardoelen en de progressie die daarin zit. In één oogopslag zie je hoeveel geld je uitgeeft aan boodschappen en hoeveel procent naar benzine gaat. En zoeken kan in gewone taal: “toon me alle overboekingen van meer dan €100 toen ik in Groningen was zes maanden geleden”, en je krijgt een lijstje.
Er zijn een aantal mooie gelddiensten in Nederland. Zoals Yunoo, die het inzichtelijk maakt waar je je geld aan uitgeeft. Of MoneyBird die het voor ZZP’ers makkelijk maakt om facturenbeheer te doen. Of de tientallen smartphone-apps waarmee je je dagelijkse uitgaven kunt bijhouden. Maar uit de banken zelf komt amper iets nieuws. En zonder disruptieve partijen als BankSimple zal dat waarschijnlijk ook nog wel een tijdje zo blijven.
Aangezien ik tegenwoordig heel wat afschnabbel, kom ik op veel congressen. En ik heb daar de nieuwste trend onder social-media-congres-organisatoren gespot: de dag openenen door van enkele aanwezigen in de zaal de ‘aanwezigheid op de sociale media’ te toetsen en door te nemen op het podium. Ongemakkelijkheid gegarandeerd.
‘Ik zie hier de Twitter-presense van Aagje de Berk, van bedrijf X, en die zendt alleen maar! Twitter is tweerichtingsverkeer hoor! En ik zie hier bedrijf Y, die hebben een Hyves-pagina, maar hebben niet eens een Facebook fanpage met analytics! En de eigenaar van restaurant Q is aanwezig, die zit niet eens op Foursquare.’
Het vreemde is, het werkt. Het publiek is in een klap onzeker gemaakt over hun nieuwe mediakennis, en ontvankelijk voor de bak aan adviezen die zelfbetitelde ‘social media experts’ tijdens de dag over ze gaan uitgestorten.
Niet alleen op congressen werkt het: het is een favoriete tactiek van interactieve mediabedrijven om een voet tussen de deur te krijgen bij traditionele ondernemingen en overheden. Vormkritiek als ‘Jullie hebben niet eens Twitter!’ en ‘Doen jullie niet aan conversietesten?!’ komt hard aan bij mensen die zelden of nooit iets met internet gedaan hebben. Voor veel technitwits (lees: marketingmanagers van traditionele bedrijven) staat de geconstateerde ‘beperkte aanwezigheid op sociale mediakanalen’ gelijk aan ‘we moeten nu echt iets met dat internet’. Strategie doet er niet toe.
Voor veel communicatiemensen van traditionele bedrijven zijn accounts bij Facebook en Twitter pleisters op het geweten. Het geweten dat inmiddels zo geconditioneerd is dat het zegt: ‘Gij zult iets (maakt niet echt uit wat) met social media doen!’
Datzelfde geweten sprak een paar jaar geleden nog: ‘Gij zult iets (maakt niet echt uit wat) met virals doen!’ Na een paar succesverhalen trokken opeens bedrijven in alle vormen en maten de beurs om ‘een viral’ te laten ontwikkelen.
Wie op YouTube op het woord ‘viral’ zoekt, komt een keur aan treurige video’s tegen met minder dan 300 views. Van franchiseverenigingen tot fietsenverkopers: bij allen liep er iemand rond die er heilig van overtuigd was dat men een viral moest ontwikkelen. Wat op YouTube achterblijft, is een ruïne van een vergane hype.
En dat is precies wat er gaat gebeuren met de Hyves-profielen van bakkers, de Facebook-pagina’s van Chinese restaurants en de Twitter-accounts van zorginstellingen. De hype is weer overgewaaid, en de ruïnes blijven.
Deze column verscheen vorige maand in Emerce
“Disruptive” is een modewoord in Silicon Valley. Het heeft vaak betrekking op nieuwkomers in de start-up scène die met een nieuw idee bestaande markten en modellen in één keer op z’n kop zetten. Vaak gepaard met een hoop rumoer. Eén bedrijfje krijgt op dat vlak nu veel aandacht: Square.
Square is een wit, klein, vierkante blokje dat je in de microfooningang van je iPhone of Android-toestel steekt. In het blokje zit een inkeping waardoor je een credit card kunt trekken. Vanaf het moment dat je de bijbehorende applicatie start is je telefoon veranderd in een mobiele credit card terminal: je ‘swiped’ de credit card van je klant, beschrijft de aankoop, maakt er eventueel een foto van de klant zet zijn handtekening op het scherm. De ‘bon’ krijgt de koper via email, keurig met zijn handtekening en eventueel de foto van het aangekochte product.
Dat is natuurlijk bijzonder sexy. Maar de reden waarom de gevestigde orde van credit card-bedrijven siddert ligt elders.
De industrie heeft het ondernemers jarenlang ontzettend moeilijk gemaakt. Zij die credit cards willen accepteren in hun winkels moesten altijd een langdurig contract tekenen met allerlei kostenposten die afhankelijk waren van ondoorzichtige variabelen. Square doet het anders. Zo’n Square-blokje en de app zijn gratis, voor gebruik betaal je slechts een percentage van 2,75% over het aankoopbedrag. Geen ondoorzichtig contract met variabele prijzen. Geen huur. Geen aankoopkosten. Simpel.
En de markt die open ligt is enorm. Alleen al in de Verenigde Staten zijn er 27 miljoen kleine winkels die geen credit cards accepteren. Laat staan alle ondernemers die klaar zijn met hun huidige logge credit card-maatschappij.
De verwachting is dat Square in het tweede kwartaal van dit jaar $200 miljoen aan transacties zal verwerken, dat is drie keer zoveel als het kwartaal ervoor. Investeerders storten tientallen miljoenen uit over de startup, en ze bestaan deze maand pas één jaar. Geen wonder dat de concurrentie zeven kleuren stront schijt.
Met veel gevoel voor drama zette concurrent VeriFone een open brief online waarin ze consumenten waarschuwen voor de gevaren van het gebruiken van Square. Het ding zou skimmen in de hand werken. Behalve dat er nogal wat is af te dingen op die claim, werd het angstzaaien door techblogs vooral geïnterpreteerd als een steun in de rug voor Square: de concurrentie siddert voor de onwaarschijnlijke opkomst van de nieuwkomer.
Square is een bijzonder simpel en elegant idee. Het is voor de credit card-industrie wat Apple heeft gedaan voor mobiele computers: high tech supersimpel en toegankelijk maken. Het schopt in een vloeiende schijnbeweging de gevestigde orde van poortwachters omver. Consumenten en ondernemers staan aan de zijlijn en schreeuwen het uit van plezier. Ik kan niet wachten tot de andere sectoren aan de beurt zijn.
Deze column verscheen eerder in Emerce.